html web site generator

De 200 jaar oude latere vestigingen in het uilengebergte


Auteur: F Anders, Artikel in “Der Schlesier”, Nederlandse vertaling: Judith Tuenter


De meeste Silezische steden en dorpen werden tussen 1200 en 1350 door hiertoe ontboden Duitse kolonisten nieuw aangelegd of Duits gekoloniseerd. Ze zijn ongeveer 700 jaar oud. Er zijn in Silezië echter ook plaatsen die nog maar 200 jaar oud zijn. Zij werden in de tijd van Frederik de Grote in de jaren 1770 tot 1777 of later gegrondvest. Toen de Silezische oorlogen voorbij waren, was Frederik de Grote, als ‘eerste dienaar van zijn staat’, voortdurend bezig met het herstel van de schade die in zij nieuwe provincie Silezië, in de oorlogen toegebracht was. Ook wilde hij de bevolkingsaantallen omhoog krijgen. Dat deed hij door nieuwe kolonisten naar het land te roepen –uiteindelijk 57.497 families- en nieuwe kolonies aan te leggen. Bij deze werkzaamheden was de minister van de provincie, graaf Hoym, de vicekoning van Silezië, Frederiks rechterarm.


Het dorp Hoymberg bei Standorf (Striegau) is een herinnering aan deze minister die de Kolonies hielp grondvesten. Hij plande 200 nieuwe nederzettingen, waarvan er 150 door landheerschappen zouden worden aangelegd. Het was niet gemakkelijk voor deze ‘Peuplierungen’ land te verkrijgen. (De nieuwe nederzettingen werden: ‘Peuplierungen’ genoemd, dat komt van het Franse ‘le peuple’, wat ‘het volk’ betekent). Daarna werden 300 landgoederen opgedeeld. Opdat ook de grootgrondbezitters bereid waren land te geven, kregen zij financiële ondersteuning. Voor elke nieuwe nederzettingsplaats kreeg men 150 ‘Taler[1]’. Dit waren geen boerenlandgoederen maar stukken land voor vrije hoveniers (‘Freigartner’[2] van 8 tot 20 ‘morgen’[3].


Omdat de kolonisten hun familie niet van eten konden voorzien, moesten ze zien extra werk als handwever of arbeider in het bos te krijgen. Minstens zes van zulke werkplekken moesten een dorp vormen. Om velen tot kolonies te trekken beloofden men hun enige voordelen. Ze zouden voortaan ‘vrije mensen’ zijn en dus niet langer onderdanen door erfopvolging. Ze kregen werktuigen om hun akkers mee te bewerken, zaad en vee. Daarbij werd een morgen woest land op kosten van de staat voor hen ontgonnen. De bouw van de huizen in de nederzettingen, die meestal alleen met financiële toelagen mogelijk was, was vaak onvolkomen en niet erg duurzaam. De wanden van vakwerk hadden alleen een vulling van leem en de daken bestonden uit plankjes van stro. De schoorstenen moesten echter met stenen gemetseld worden: de koning had schoorstenen van hout van binnen bekleed met leem, streng verboden vanwege brandgevaar.


eulebaum Aan beide kanten van het Uilengebergte vindt men een aantal van zulke latere nederzettingen uit de tijd van meer dan 200 jaar geleden. Aan de ‘Neuroder’ zijde zijn de meeste daar aangelegd waar het bosbestand was uitgedund. Dit was gebeurd door kolenbranders, houthakkers en winners van potas (kaliumcarbonaat), die deze stof gebruikten voor het bleken van linnengoed en voor het maken van las. Voordeel daarvan was dat de grond daarmee klaar was om erop te bouwen, het voorwerk voor een neerzetting was daarmee al gedaan. Zo ontstond in het jaar 1770 Markgrund bei Köningswalde en Hain bei Ludwigsdorf, in 1772 Nue- Wüstegiersdorf en in 1776 Wezelshain bei Hausdorf. Aan de noordelijke kant van het Uilengebergte werden aan weerskanten van Leutmannsdorf, de nederzetting Klein- Leutmannsdorf en Groβ- en klein- Friedrichsfelde gegrondvest, dit waren kolonies die zich richtten op handweverij. Aan de landheer van Weigelsdorf, de graaf Heinrich von Scherr-Thoβ,eulenbaude mit baumHerinneren de 200-jarige nederzettingen Seherrsau, Kolonie von Weigelsdorf en Seherrsgrund, Kolonie van Quickendorf, regio Frankenstein. Ze werden beide op zijn land en grond aangelegd. Als erkenning mochten de plaatsnamen de naam van hun grondvester in zich dragen. Nadat Heinrich von Scherr-Thoβ in 1757 landheer van Weigelsdorf was geworden, verwierf hij nog meer landgoederen, waaronder Quickendorf. Aangezien hij de ‘Peuplierungspolitik’ van de koning steunde, stond hij in grote gunst bij Fredrik de Grote. Frederik verhoogde de baron van Scherr-Thoβ voor zijn verdienste voor Silezië tot de Pruisische gravenstand.


Van oudsher noemen de bewoners van het Uilengebergte Seherrsau, am Wegen nach Langenbeilau, ‘die Windmühlhäuser’, omdat er vroeger een windmolen stond. Net als Seherrssau is ook Seherrsgrund hooggelegen en wel aan de beboste oostelijke helling van de 479 meter hoge Wenzelkoppe, een voorgebergte van het Uilengebergte. Om hier genoeg akkerland voor de kleine boeren van de nederzettingen te verschaffen, moest een deel van het bos gerooid worden. Nevenambacht was hier het werk in het bos en tot de eeuwwisseling de handweverij.


Vanaf het hooggelegen Seherrsgrund had men een geweldig uitzicht op de fruitvlakten van Frankenstein. Aan de Landheer van Raudnitz und Raschdorf, Michael von Haugwitz, herinnert de nederzetting Michelsdorf tussen Raudnitz und Rausdorf. Deze werd in 1779 aangelegd en bestond uit zes stukken grond voor vrije hoveniers waarvan de bezitters (net als Segerrsgrund) ernaast nog als boswerker of handwever werkten. Als erkenning voor het geven van de grond was ook hier de naam van de oprichter deel van de naam van de plaats. Ook Michael von Haugwitz stond in hoog aanzien bij Frederik de Grote.


Onmiskenbaar zijn ook de ‘brandhuizen’ bij Lampersdorf’een 200-jarige latere kolonie. Deze werd gegrondvest op de ‘Brande’, door de toenmalige landheer van het dorp, Sigmund Gottlob von Thielau. De kolonie omvatte zes stukken land voor vrije hoveniers van 10 tot 26 morgen. Ht zaagbedrijf ‘Brandmühle’met een verblijf voor gasten is er pas later bij gekomen. Op het veel bewandelde, schaduwrijke voetpad aan de rand van het Uilengebergte, de vroegere oude ‘Kichsteig’ van Tannenberg naarSilberbergI, kwam men ook door de aan de bosrand idyllisch gelegen ‘brandhuizen’ in ‘Brande’. Vanaf hier en vanaf ‘Kirchsteig’ had men een prachtig uitzicht op het zes kilometer lange lint van dorpen bestaande uit Weigelsdorf, Lampersdorf en Raudnitzen op de daarachter gelegen Vorberge met de Wenzelkoppe.


Naar het zuiden had men zicht op de bergen van Wartha en op het Reichensteiner gebergte. Het drassige gebied van ‘Brade’ bei Lampersdorf was tot in de Middeleeuwen nog bebost, omdat het niet als akkerland geschikt was. Het werd echter steeds meer door houthakkers, kolenbranders en winners van potas ontbost. Het hout werd door verbranden, door brand, in houtskool en kaliumcarbonaat omgezet. Men gebruikte deze stof bij het maken van glas en bij het bleken van linnengoed. De drie bovengenoemde, voormalige boerendorpen waren verander in dorpen die weverij als grootste bron van inkomen hadden. Aan deze tijd van de ontbossing herinneren in het ‘Neurode’gebied, de vroegere glasfabrieken in Hausdorf, Volpersdorf en Kopprich en de veldnamenAscherkoppe (856 meter hoge berg in het Uilengebergte), Ascherkamm am Beilauer Planel en de glasmaker- en kolengrond bij de brandhuizen. Op het vroegere beboste “Brande”liggen nu de vochtige ‘Brand- und Pfingstwiesen’voor de brandhuizen.


 


[1] Een Taler of daalder was een Europese munt die voor het eerst rond 1500 in Tsjechie werd geslagen.


[2] Een Freigartner was een van lasten en belasting vrijgestelde hovenier


[3] Een morgen is een oude oppervlaktemaat. Met een morgen werd een gebied aangeduiddat in een ochtend kon worden geploegd. Een morgen lag meestal tussen een kwart en een halve hectare. De precieze grootte was echter streekgebonden.

 Copyright: D Huizinga