Timeline

1525-1566 Derk Pieters
1536-1580 Katrina Tomas

De stamboerderij, Melkema, een kapitale hoeve op een stenen fundament, staat in het noorden van Groningen, even voorbij Huizinge. De eerste bekende bewoners van Melkema zijn de zestiende-eeuwers Derk Pieters en Katrina Tomas. het oudst bekende echtpaar dat op Melkema boerde. Het geslacht dat Melkema gedurende vier eeuwen bewoonde.
Melkema
Op korte afstand van het dorp Huizinge ligt een boerenhofstede Melkema of Melkemaheert genaamd, in het midden van een zeer vruchtbare streek van weide- en bouwlanden.
Het aanzien van de plaats -geheel, behalve aan de wegzijde, omgeven van wijde grachten en van brede, met opgaande geboomte beplante singels, die den grond insluiten, waarop nu de ruime boerenbehuizing, met tuin en boomgaard daarachter en ter zijde, wordt gevonden, - doet vermoeden dat dit eigendom oorspronkelijk een ander bestemming had dan de uitoefening van een gewoon boerenbedrijf. Dit vermoeden wordt versterkt door een nadere beschouwing van het gebouw zelf, dat hecht en sterk is opgetrokken, gedeeltelijk ook nog van steen die in vroegere eeuwen bij een huis behoren (zogenaamde kloostersteen), met ruime kamers, zware balkenlagen, eertijds beschilderde vensterruiten, enz. Al ligt komt men derhalve op de gedachte dat Melkema een is van die – in Groningen oude vruchtbare streken veelvuldig voorkomende, - plaatsen, welke vroeger, tot bescherming of ook wel tot plaag der omsteek, het eigendom waren van en bewoond werden door machtige Burgtheren. Maar dan ook mag men aannemen dat deze, hoe machtig ook, door een nog machtiger drang van omstandigheden hun eigendom moesten afstaan aan anderen, aan mensen krachtig van lichaam en geest, vroeger wellicht onderhorigen, die, aan geringe behoeften noeste vlijt en spaarzaamheid parende, eerst pachters later geheel eigenaars daarvan werden en zich als zodanig konden handhaven.

Jacob Derks Huizinga zegt in het jaar 1695 sprekend van Derk Pieters: “Derk Pieters is geweest mijn overgrootvaders vader en heeft al vroeg in de vijftiende eeuw tot Huysinga op de plaats gewoond”






1550

Hoewel de stadstaat Groningen zich in de tweede helft van de 15e eeuw ontwikkelt tot een belangrijke politieke macht, moet de stad rond 1500 erkennen dat er vanuit het zuiden een nog grotere macht opduikt, namelijk het Bourgondisch-Habsburgse rijk. Om erger te voorkomen en om een zo groot mogelijke autonomie te behouden besluit de Stad tot een vlucht voorwaarts. Ze stelt zich in 1506 onder het beschermheerschap van graaf Edzard van Oost-Friesland en vervolgens in 1514 onder dat van hertog Karel van Gelre. Deze heren zijn echter ook niet opgewassen tegen de Habsburgers en daarom stellen Stad en ook de Ommelanden zich in 1536 onder de hoede van de Habsburgse keizer Karel V. Deze is genereus en laat Stad en Ommelanden hun bestuur en privileges behouden (tot woede van de Ommelanders behoudt de Stad ook het stapelrecht). Het gewest moet alleen jaarlijks een bepaald bedrag afdragen. Namens de keizer treedt een stadhouder op en diens plaatsvervanger wordt het hoofd van de Hoofdmannenkamer (de rechtbank). Stad en Lande vormen nu een onderdeel van de Nederlanden. De voornaamste zaken worden voortaan in Brussel geregeld, waar de landvoogd van alle Nederlandse gewesten zetelt.

Moeilijk waren de omstandigheden waarin onze voorouders destijds verkeerden. Immers wij vinden hunne namen in dat tijdperk van de vaderlandse geschiedenis dat wel het meest door de heftigste beroeringen van staatskundige en kerkelijken aard is gekenmerkt. De Spaanse koning Philips II was in 1555 zijn vader Karel V in de regering dezer landen opgevolgd. Wat al herinneringen van de nameloze ellende over de landzaten gebracht, hechten zich aan deze twee namen. Binnenlandse beroerten verhoogden de algemene rampspoed. Groningen en Ommelanden en naburige vijanden, stond ook de rustigste burger gedurig bloot. Allermeest evenwel werd ieders kalme gemoedsrust verstoord door de vervolging die men moest ondervinden (of duchten) ter zake van het geloof. Bij de hevig uitgebroken strijd der meningen op godsdienstig gebied was het niet wel mogelijk onverschillig toeschouwer te blijven. Wie een godsdienstige overtuiging bezat, voelde zich gedwongen die te openbaren. Hij kon niet anders. Onze vroeg bekendste voorvaderen waren allen doopsgezinden. Zij erkenden het wezenlijke der godsdienst en het prijs stellen op een Christelijke leven naar de Heilige Schrift, die in alles, naar hun opvatting, hun geheel enig richtsnoer was. Zij waren daarom afkerig van al wat hun toescheen daarmede te strijden, als kinderdoop, eed, priestergezag en alle overheersing door wapengeweld. Zij waren doopsgezinden, hetzij dat zij dit waren reeds van onheuglijke tijden af, of dat zij het geworden waren voor of in datzelfde tijdperk (1536) waarin ook de priester Menno Simons de Rooms Katholieke kerk verliet om zich met bestaande doopsgezinden te verbinden. Wat al moeilijkheden zullen ook onze voorouders, in hunne dagen van levendige geestdrift voor het alleen volgen van de stem des ontwaakte geweten, te verduren hebben gehad van de machthebbende kerkelijken, die allerminst een vrijheidszin wilde gedogen waarbij handhaving hunner kerkleer gevaar moest lopen. Daarom dan ook werden juist tegen de doopsgezinden zovele wrede bloedplakkaten uitgevaardigd die menigeen met verlating van have en goed naar het buitenland deden uitwijken. Meestal echter schijnen onze vaderen gelegenheid te hebben gevonden om zich hier te lande te blijven ophouden, ook zonder angstig een schuilplaats te zoeken. Zeer velen schroomden zelfs niet om, wat het hun ook mocht kosten, als leraren onder de doopsgezinden op te treden, de zorg voor de waarneming van de betrekking geheel onbaatzuchtig met de zorg voor hun dagelijks bedrijf verenigde. De gehele nakomelingschap van Derk Pieters en Katrina Tomas was aanvankelijk de doopsgezinde belijdenis toegedaan. Zulks getuigen alle de nog overgebleven oude geschriften. Nog zijn er een aantal doopsgezinde gemeenten, vooral in het noordoostelijk deel van de provincie Groningen, die grotendeels uit hunner afstammelingen bestaan, zoals ’t Zandt, Zijldijk, Middelstum, Uithuizen en Mensingeweer die vroeger daar in de omtrek bestaan hebben

(Jacob Derks)  (1585-1620) 

Jacob Derks, Landbouwer te Maarhuizen (Winsum).  in 1585 leraar der Doopsgezinden te Rasquert (Baflo), geboren 1557, gestorven 13 Juli 1620.
Het geslacht dat Melkema gedurende vier eeuwen bewoonde, behoort tot de oudste Groninger doopsgezinde families en heeft veel vermaners geleverd. De zoon van het genoemde echtpaar, Jacob Derks, werd de eerste, in 1585, vermaner van Rasquert en Huizinge.
De  doopsgezinden, onder leiding van Menno Simons, zijn  vredelievend. Zij weigeren wapens te dragen, leggen geen eed af en leggen de nadruk op het leiden van een degelijk, sober leven.
De doopsgezinden  hadden geen volledige godsdienstvrijheid tot 1795.  Bij de overheid werd wel aangedrongen op krachtige maatregelen tegen de mennisten. Een voorbeeld van een dergelijke maatregel is het ‘Scherpe plakkaat’ uit 1601. De stad Groningen voerde dit plakkaat in haar eigen jurisdictie in, maar een poging om haar ook in te voeren in de Ommelanden mislukte. Dit had alles te maken met de bekende competentiestrijd tussen de stad en de Ommelanden. 
Ze werden getolereerd, maar veel meer ook niet. Hun kerken moesten wat verborgen, niet al te zichtbaar zijn.

1568

De slag bij Heiligerlee staat bekend als het begin van de Tachtigjarige Oorlog.
Keizer Karel V en vooral diens opvolger koning Filips II proberen in de Nederlanden steeds meer tot één bestuur en één godsdienst te komen. De Nederlanden zijn hiervan niet gediend, zij zien dit als een aantasting van de aan hen verleende, aloude privileges. De komst in 1567 van een nieuwe landvoogd, de hertog van Alva, zet gauw kwaad bloed. De harde lijn van godsdienstvervolging wordt ingezet en veel protestanten vluchten naar het buitenland (Duitsland en Engeland). Uiteindelijk leidt de ontevredenheid tot een gewapende opstand onder leiding van prins Willem van Oranje. Diens broers Lodewijk en Adolf trekken met een klein leger Stad en Lande binnen en proberen daar een gewapende opstand op gang te brengen. De slag bij Heiligerlee wordt gewonnen - Adolf en de Spaanse legeraanvoerder Aremberg sneuvelen -, maar als Alva zelf naar het Noorden komt, wordt het geuzenleger bij Jemgum (Ostfriesland) jammerlijk in de pan gehakt. De Opstand lijkt mislukt, maar dit is schijn. Het blijft broeien en in 1579 besluiten de opstandige gewesten samen op te trekken tegen Spanje; zij sluiten de Unie van Utrecht. De Ommelanden behoren tot de eerste ondertekenaars. De Stad tekent niet; de stadhouder, de graaf van Rennenberg, wel. In 1580 sluit hij echter weer vrede met de Spaanse koning en verlaat de Unie. De Stad blijft zo Spaansgezind. De een spreekt van 'de overgang', maar een ander van 'het verraad' van Rennenberg.

(Jacob Derks) Huizinga (1659-1736) 

(Jacob Derks) Huizinga (1659-1736) was als 21-jarige boerenzoon naar de stad gekomen Sinds mei 1679 woonde Jacob te
Groningen. Eerst was hij koopmansleerling bij Jan Arents ‘in ’t Blok’ in de Steentilstraat. Later was hij zelf koopman. Van 1683-1696 woonde hij aan de Vismarkt. Daarna vanaf 1696 in de Brugstraat, en in 1700-1701 in de Guldenstraat. Jacob hield een aantekenboek bij, waarin hij allerlei gebeurtenissen aangaande zichzelf, en de Groningse gemeente bijhield. Jacob schonk zijn zus Geertruid een bruidschat van 1.000 Emder guldens.

Wanneer hij zijn vader schreef had hij het over "Derks Syrts tot Huysinga" en hij stelde zichzelf voor als Jacob Derks tot Huysinga. Hij noemde zijn zoon bij de geboorte in 1682 direkt Derk Jacobs Huysinga. Al zijn andere kinderen kregen ook de naam Huysinga mee. Zo is de stamnaam Huizinga ontstaan.



1672

Tijdens het rampjaar 1672 wordt de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden van vier kanten aangevallen. In het westen door Engeland, in het zuiden door Frankrijk, in het Zuidoosten door Maximiliaan Hendrik van Beieren en vanaf het noordoosten wordt de Republiek bedreigd door de bisschop van Münster: Bernhard von Galen (1606-1678). Bernhard von Galen, in de volksmond ook ‘Bommen Berend genoemd vanwege het grote aantal bommen dat hij gebruikt, wil in 1672 voor de tweede keer Nederland binnenvallen nadat hij in 1665 niet verder kwam dan Winschoten. Omdat de Republiek in ’72 toch al van verschillende kanten wordt aangevallen, ziet Van Galen zijn kans schoon.
Vanaf 21 juli 1672 wordt Groningen belegerd door het leger van Bommen Berend. Hij wordt bijgestaan door Keulse troepen. Die lijden in Nienhuis bij Garrelsweer een gevoelige nederlaag. Daardoor lopen ook de troepen van Bommen Berend gevaar. Na vier weken trekt het leger zich daarom terug. Groningen is op 17 augustus 1672 ontzet. Nadat de Juliaanse kalender wordt vervangen door de Gregoriaanse kalender valt die dag op 28 augustus.

Derk Tammes (Huizinga) (1679-1728)

Derk Tammes (Huizinga), zoon van Tamme Pieters en Geertruid Derks. Derk Pieters is het 6e geslacht op Melkema, Derk volgde zijn ouders in 1690 op als landbouwer op ‘Melkema’. De boerderij werd door zoon Tamme overgenomen 
Melkema







Kerstvloed 1717

1717
De Kerstvloed in 1717 wordt ook wel de grootste natuurramp van Groningen genoemd. Eerst was er een dagenlang aanhoudende zuidwesterstorm geweest, die het water vanuit het zuidelijke deel van de Noordzee opstuwde naar het noordoosten. Vervolgens ruimde de wind in de kerstavond en –nacht in enkele uren tijd naar het noordwesten, zodat de opgestuwde watermassa aandrong op de waddenkust. Daar konden de nog primitieve dijken geen weerstand tegen bieden: op tientallen plaatsen kolkte het water er met grote kracht overheen en doorheen. Soms werden zelfs kilometers dijk simpel weggevaagd, en al gauw nadat men vanaf de eerste laaggelegen huizen witte lakens zag wapperen, ten teken van nood, beierden overal langs de Groninger kust de alarmklokken. Hunsingo, Fivelingo en noordelijke delen van zowel het Westerkwartier als het Oldambt zagen er bij daglicht uit als een volle zee, waar overal dode en levende mensen en dieren en allerlei hout in ronddreven, en waar hier en daar alleen nog bomen, daken en kerktorens bovenuit staken. In die zee vormde de stad Groningen een schiereiland, maar ook daar stond het water in sommige laaggelegen straten kniehoog. Juist doordat de vloed zo onverwacht opkwam in de nacht, overrompelde hij veel mensen. De schattingen van het aantal doden lopen enigszins uiteen, maar minimaal 2091 mensen vonden de dood in het koude water. Vooral Hunsingo werd zwaar getroffen.

Ook Huizinge werd getroffen:
Geertjen Alefs, woonende tot Huisinge [Huizinge], in de Mennoniten Vergadering, siende 't waater koomen aanbruusen en niet konnende de Solder bereiken nam haar toevlugt tot de Bedsteede  (by haar hebbende haare Drie kinderen) en stond op de Post van deselve houdende haar met de eene Arm in de Swing of
Band en in de andere Arm het kleinste kind  van omtrent een Jaar Oud zijnde de andere Twee kinderen geplaatst  op een Tafel by de Bedsteede  in sulk een benauwde en gevaarlike toestand  heeft zy haar van Saturdags 's Nagts tot Sondaags moeten behelpen; in welke tijd haar kleinste  uut haar Arm vallende is verdronken; en het Eene van de Twee op de geseide Tafel door al te groote kouwde verkleumt naa allvoorens seer Jammerlik om Eeten te hebben geroepen eindelik in haar kinderlike Taal gesegt  Memme ik worde slaaperig daarop 't den geest heeft gegeeven. Dog de Moeder is  met het andere kind in't leeven behouden. 

Waatersvloed 1717

Jan Hendriks (Huizinga) (1700-?)
Na Huizinge en een tussenstap van 1 generatie in Tinallinge (Hindrik Pieters en Corneliske Jans) belanden de Huizinga en Saaxumhuizen. Jan Hendriks en Hiltje Reijntjes wonen vanaf 1740 op de boerderij te Saaxumhuizerweg 21, Saaxumhuizen. Deze boerderij is 17 bunder groot en de huur (beklemrecht bedraagt f 123,75.

Boerderij Saaxumhuizen

1747

De eerste helft van de 18e eeuw is economisch gezien een slechte tijd voor het boerenbedrijf: dalende prijzen, stijgende kosten, strenge winters, misoogsten en veel ongedierte. Bovendien breekt drie keer de veepest uit (met epidemieën in 1715, de ergste in 1744, en later nog één in 1769). In 1744 sterft meer dan de helft van de veestapel.
In 1747 komt er een opstand, de boerenopstand (Groninger oproer). De oorsprong van het oproer ligt in de economische malaise in de jaren veertig van de achttiende eeuw. Daarbij was het systeem van de belastingpacht voor de plattelandsbevolking een ernstige grief, gecombineerd met diepe onvrede over de wijze waarop de regenten en de landadel hun macht uitoefenden. In Groningen, waar de prins al sinds 1718 stadhouder was, heerste grote onvrede over stadsregenten en jonkers, die de feitelijke macht naar zich toe hadden getrokken. Velen wilden een erfelijk stadhouderschap en een rechtvaardiger belastingsysteem.
Het Groninger stadsbestuur verwachtte onrust en bewapende burgers. Na een bijeenkomst in Middelstum trokken de Ommelanders op 28 augustus naar Stad. De volgende dag marcheerde een compagnie boeren met ‘slaande trom en vliegend vaendel’ door de Ebbingepoort, ‘alle voorsien met stokken en knodsen van een wonderlijke form en figuur’ naar het Provinciehuis.
In de tweede helft van de 18e eeuw slaat de economie om: de prijzen van landbouwproducten stijgen; modernere landbouwmethoden doen hun intrede en de veepest wordt bestreden door inenting. De landbouw begint van veeteelt om te schakelen naar akkerbouw. De basis voor de welvaart in de Groninger landbouw wordt gelegd. De huur van de landerijen wordt steeds vaker op een vast en onveranderlijk bedrag gefixeerd, het beklemrecht.  

Pieter Jans (Huizinga) 1742-1809

Na Huizinge en een tussenstap van 1 generatie in Tinallinge belanden de Huizinga’s in Saaxumhuizen. Jan Hendriks (Huizinga) en Hiltje Reijntjes wonen vanaf 1740 op de boerderij te Saaxumhuizen. Deze boerderij is 17 bunder groot en de huur (beklemrecht bedraagt f 123,75. In 1786 wordt deze overgenomen door Pieter Jans en Stijntje Freeks Scherphuis. Oostelijk van hun boerderij lag een andere boerderij van 39 jukken met een vaste huur van f 158,-. In 1789 wordt deze gekocht door Pieter Jans en Stijntje Freeks Scherphuis..
Kort na elkaar, in 1809, overlijden Pieter Jans en Stijntje Freeks. Hun zoon Hendrik Pieters neemt de boerderij over. In 1807 is zijn echtgenoot, Geertruid Ulferts Wiersum, al overleden. In 1817 overlijdt Hendrik Pieters Huizinga en laat 4 minderjarige kinderen na.
Op 20 jan 1818 verschijnen voor mr Hendrik Bolhuis, notaris te Winsum. Freerk Pieters Huizinga, landbouwer te Baflo en Tjaard Luitjes Wiersum, resp voogd en toeziend voogd over de vier minderjarige kinderen. Zij verkopen een “boerenplaats met een vaste beklemming van 72 jukken land, bestaande uit twee onderscheidende beklemmingen. Jaarlijkse met een vaste huur aan de Hervormde kerk van Saaxumhuizen van F 281,75 met een behuizing op No 8 en No 9. De kopers zijn Meidert Berends Wieringa en Trientje Kars Elzes. De prijs is f 15.555
.


1780
Na 1780 komt overal in het land meer en meer verzet tegen het politieke systeem, met name bij de ontwikkelde burgerij. De burgers wensen medezeggenschap in het bestuur, zo niet goedschiks dan kwaadschiks. Aanvankelijk zoeken zij hun steun bij stadhouder Willem V, maar deze koestert dezelfde opvattingen als zijn vader (Willem IV). Vandaar dat de ontevreden burgerij zich van hem afkeert en een eigen partij vormt, de patriotten. Tegenover hen staan de aanhangers van de stadhouder, de prins- of oranjegezinden. In de stad Groningen krijgen de patriotten langzamerhand de overhand, in de Ommelanden de oranjegezinden.

Na de komst van de Fransen (Bataavse republiek) in 1795 worden de oude machthebbers afgezet en nemen de patriotten de macht over. Er komt gelijkheid voor de wet. De gereformeerde (de latere hervormde) kerk verliest haar bevoorrechte positie; andere godsdiensten krijgen dezelfde rechten. Stad en Lande worden langzamerhand de provincie Groningen, afhankelijk van de rijksoverheid in Den Haag. Op het platteland verschijnen gemeenten met eigen bestuur en bevoegdheden. Binnen de provincie verliest de Stad haar overheersende positie. Groningen maakt van 1810 tot 1813 deel uit van het Franse keizerrijk. Dit voert de centralisatie van het bestuur steeds verder door. De dienstplicht wordt ingevoerd, mensen krijgen een verplichte vaste achternaam en de burgerlijke stand wordt ingesteld. Na het vertrek van de Fransen in 1813 neemt de zoon van de laatste stadhouder de macht over, vanaf 1815 als Willem I, koning der Nederlanden. Deze handhaaft vrijwel alle bestuurlijke veranderingen van de voorgaande periode.

Olfert Hendriks Huizinga (1804-1870)


Hendrik Olferts Huizinga en Anje Klaasens LapDe boerderij te Saaxumhuizen is de geboortewoning van Olfert Hindriks Huizinga. Olfert was 13 jaar oud toen zijn vader overleed, zijn moeder was al 10 jaar eerder overleden. De voogden van Olfert hebben in 1818 de boerderij verkocht voor 15500 gulden, wat toen een hoog bedrag was voor ongeveer 40 bunder land. Waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht is onbekend. Op de boerderij hebben 4 generaties Huizinga gewoond. Als vrijgezel is Olfert in 1826 naar Houwerzijl vertrokken en is daar getrouwd met Anje Klaassen Lap. In 1834 heeft Olfert het huisje aan de Zwarteweg gekocht waar hij met Anje een kleine 40 jaar gewoond heeft. Het huisje is wat ruimer gebouwd dan de doorsnee arbeiders huisjes. Dat hij een dorskleed had voor koolzaad getuigt dat hij nog een paar centen had.
Zwatewaterweg

1825

Stad en Ommeland zijn door de jaren heen vaker getroffen door grote epidemieën. In 1825 werd de Stad Groningen geteisterd door een cholera-epidemie en in 1826 werden we getroffen door de mysterieuze 'Groninger Ziekte'. De patiënten kregen koortsaanvallen, die zich om de dag herhaalden. Vaak met een steeds hogere temperatuur tot de dood er op volgde. De Groningse ziekte werd dan ook wel “anderendaagse koorts” genoemd.
Voor de oorzaak van de Groninger Zieke moeten we kijken naar het jaar daarvoor. Door stormen braken in de winter van 1825 verschillende dijken, waaronder die van het Reitdiep, dat toen nog rechtstreeks in verbinding stond met de zee. Het hele gebied tussen Zoutkamp en de stad Groningen kwam onder water te staan en het duurde lang voordat alle dijken waren gedicht en het water was opgedroogd. In 1826 brak er nogmaals een dijk, dicht bij de stad, waardoor er weer hele stukken land onder water kwamen te staan. Vervolgens zorgde het warme voorjaar en zomer ervoor dat er ideale omstandigheden ontstonden voor malariamuggen die zich het liefst voortplanten in ondiepe plassen brak water.

Anderen menen dat de oorzaak moet worden gezocht in de overstroming van de plaatselijke 'drekstoep' waar de poeptonnen werden geleegd. Deze overstroming zou het oppervlaktewater hebben verontreinigd met een tyfusepidemie als gevolg.

1826-1828 Pokken in Friesland en Groningen.
1829 Malaria in Groningen, ofwel ‘Groninger ziekte’, veroorzaakt door warme zomer na overstromingen.
1853-1855 Cholera Groningen.
1856 Tyfus in Groningen.
1859 Tyfus en Cholera in Groningen.  

Ulfert Hendriks Huizinga (1864-1926)

Ulfert HuizingaUlfert Hendriks Huizinga is op 23 november 1928 overleden als gevolg van een tragisch jacht ongeluk. Door onvoorzichtigheid kreeg hij een schot hagel door zijn longen en bloedde daardoor dood. Een jonge jongen, genaamd Jan klunder, kwam teleurgesteld van de jacht terug. Ongelukkig schoot hij zijn jachtgeweer leeg maar raakte daarbij Ulfert in de borst. Jan Klunder, was een zoon van van de boer waar Ulfert werkte. Hij liet zijn echtgenote Grietje Klaas van Straten achter en 17 kinderen. De boer Klunder waar Ulfert voor werkte heeft Grietje Klaas van Straten de rest van haar leven onderhouden.

1900
Grond in het noorden (Hogeland en Fivelingo) en delen van oost Groningen (Oldambt) bestaat uit zeeklei en dat is zeer vruchtbaar. Oorspronkelijk maakte men daar geen optimaal gebruik van omdat het veelal gebruikt werd als graasland voor koeien. Toen men na de veepest in de tweede helft van de 18e eeuw overging op de verbouw van graan bleek dat uitstekend op deze akkers te groeien waardoor Groningen tot de graanschuur van Nederland kon uitgroeien. Met name de periode tussen 1850 en 1880 was zeer profijtelijk. Het worden wel de Champagnejaren van de Groninger graanboeren genoemd. Door de grote winsten konden de rijke boeren prachtige boerderijen bouwen met enorme schuren en landschapstuinen. Ze worden herenboeren genoemd omdat hun levenstijl op die van de gegoede burgerij lijkt. Dat had ook nadelige gevolgen op de lange termijn. Arbeiders aten eerst met de boer mee aan tafel maar aan het einde van de 19e eeuw paste dat niet meer in de rijke levensstijl van de hereboer. Arbeiders kwamen in huisjes op het landgoed of in het naburige dorp te wonen. De sociale afstand en tegenstelling groeiden zodoende. Daarnaast namen machines het werk van de arbeider langzamerhand over.
Vooral in Oost Groningen radicaliseerden de arbeiders door de verslechterende omstandigheden, die overigens niet alleen op het platteland plaatsvonden maar ook in de stad waren de leefomstandigheden voor de minder bedeelden vaak schrijnend. Arbeiders in het oosten sloten zich aan bij de socialistische organisaties. Op het Hogeland in het noorden hadden de christelijk-protestantse organisaties de meeste invloed op de arbeiders. Veel arbeiders stemden dus niet allemaal op de socialisten maar ook veel op christelijke partijen. Liberalen verloren in deze periode invloed. In 1918 roept de socialist Troelstra de revolutie uit maar dat mislukt totaal. Wel zouden er in de periode daarna wetten worden ingevoerd die het leven van de arbeider verbeterden. Wel vond er nog in 1929 de grootste Nederlandse landarbeiderstaking ooit plaats. Men eiste loonsverhoging maar de onverzettelijke boeren gaven niet toe. De stakers verloren de strijd en dat heeft de sociale en politieke verhoudingen nog tijden lang verziekt.

Ook na de 19e eeuw werd er uiteraard goud geld verdiend met de landbouw. De rijkdom in en rond Usquert op het Hogeland van Groningen stamt bijvoorbeeld uit het interbellum (periode tussen de wereldoorlogen in). Die welvaart had te maken met de toen zeer hoge graanprijzen maar ook omdat boeren hier het Recht van Aanwas kregen. Het vruchtbare ingepolderde land ten noorden van Usquert kwam door dat recht toe aan de boeren die er gevestigd waren. 

Cornelis Huizinga

Cornelis HuizingaCornelis Huizinga kwam uit een gezin van 16 kinderen. Cornelis Huizinga ging vanaf de vierde klas van school naar de boer. Dat was het onderwijs wat een kind van een arbeider kreeg in die dagen. Hij heeft bij 6 boeren gewerkt, waarvan 3 gereformeerden en 3 “moderne” boeren. De beste boeren volgens hem waren de “moderne boeren”.
Toen hij 17 jaar was werd hij verpleger in Zuidlaren op Dennenoord. Daar is hij 2 jaar geweest en toen is hij vertrokken naar Chicago U.S.A. waar hij het tuinieren leerde. Toen echter na 2 jaar zijn broer Wrister uit Houwerzijl overleed wilde zijn moeder (Grietje Klaas van Straten), graag dat hij terug kwam. Dat deed hij om haar te gerieven maar wel met de bedoeling om na enige tijd weer terug te gaan naar de States. De eerste wereldoorlog brak echter uit waardoor hij in de militaire dienst moest. In die tijd kreeg hij ook verkering met Grietje Johanna Waterbolk en is er van terugkeer naar de USA niets meer gekomen.
Hij moest dus weer bij een boer gaan werken. In die tijd werd ook de landarbeiderswet ingesteld waardoor het mogelijk werd om een stuk grond te kopen, wat door de regering van een boer onteigend werd. Cornelis Huizinga greep zijn kans en zo werd zijn latere tuin onteigend van Jacob Rietema. Hij werd groentekweker. Rijk werd hij niet met zijn tuinieren maar hij had het beter dan een boerenarbeider en was zijn eigen baas.

De hedendaagse geschiedenis van Groningen en Nederland is niet één van oorlogen (afgezien van de Koude Oorlog) maar van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en uiteindelijk grote economische voorspoed in het land al hebben bepaalde delen van de provincie daar niet of slechts tijdelijk van kunnen profiteren. Een zeer belangrijke aanjager daarvan was een gebeurtenis die plaatsvond in 1959. Op het land van boer Boon in Kolham werd namelijk aardgas ontdekt. Aanvankelijk wist men niet hoeveel dat was maar jaren later kwam men er achter dat deze gasbel van Slochteren enorm was. Nederland kon aan het gas worden aangesloten en ook konden er grote hoeveelheden worden verkocht aan het buitenland waardoor de Nederlandse overheid en de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) grote winsten konden bijschrijven.

Zeer weinig inkomsten uit deze enorme schat worden echter in de provincie geïnvesteerd waardoor velen al snel het gevoel kregen als wingewest te worden behandeld. Naar verloop van tijd zorgde deze gaswinning voor heel veel aardbevingen die naarmate de bevingen veelvuldiger en zwaarder werden veel schade hebben opgeleverd aan huizen en andere gebouwen in de provincie. Bodemdaling speelt uiteraard ook nog een rol. Men spreekt over de gasbel van Slochteren maar het epicentrum van de zwaarste bevingen bevindt zich toch vooral verder noordwaarts in Loppersum en de dorpen daaromheen waaronder Wirdum, Huizinge en Zeerijp. De nalatige overheid samen de NAM verergerden dit probleem nog eens door eerst decennia lang te ontkennen dat de aardbevingen verband hielden met de gaswinning zodat men geen schade hoefde te vergoeden. De gaswinning is al wel danig teruggeschroefd en zal verder teruggebracht worden. De afhandeling van de schade, is ondanks toezeggingen tot op de dag van vandaag niet op orde.
Melkema NAM schade

© Copyright 2021 D Huizinga - All Rights Reserved